Marathon Kopenhagen 19 mei 2013

Marion en de marathon, het is een mooi feuilleton aan het worden.
Oktober vorig jaar liep ik de marathon rond de Bodensee. Aan die wedstrijd bewaar ik maar weinig goede herinneringen. Een mooie eindtijd ja, dat wel, maar waardeloze omstandigheden, ploeteren door een enorme zondvloedregen, nauwelijks publiek langs de kant en halverwege ook nog maar sporadisch me vergezellende lopers. Dat wilde ik graag anders de volgende keer. Want dat er een volgende keer zou komen, was na de finish meteen duidelijk. Zo wilde ik mijn marathoncyclus zeker niet eindigen. En dus verdiepte ik me in de hausse aan marathons waaruit je tegenwoordig kunt kiezen om te bepalen welke voor mij geschikt zou zijn. Het werd Kopenhagen. Allereerst om de charme van de stad zelf. Begin deze eeuw sprak ik geregeld af met Heinz Polzer – beter bekend als Drs. P. We spraken over werk, uiteraard, maar ook over reizen. Drs. P is zelf altijd hartstochtelijk reiziger geweest en kon daar vol vreugde over vertellen. Hij raadde mij Kopenhagen aan, mocht ik weer een Europese stad willen bezoeken. Havensteden trekken mij sowieso wel, ik weet niet waar die aantrekkingskracht vandaan komt. Goed, dat gegeven had ik ergens in mijn achterhoofd zitten. En toen ik de website van de marathon daar bezocht, las ik dat daar een groot deelnemersveld van circa tienduizend lopers is, die alle de hele marathon doen (en niet zoals bij de Bodensee halverwege vrijwel allemaal afhaken voor de halve) en dat het parcours vrij compact is waardoor er veel publiek langs de kant staat. Precies dat wilde ik: de weersomstandigheden heb je immers nooit in de hand, maar de garantie van veel lopers en veel publiek lokte mij naar Kopenhagen.

De hele maand december heb ik mijn loopschoenen niet aangeraakt; Pascal en ik genoten van een heerlijke zomerse vakantie in Costa Rica. Eenmaal thuis pakte ik de training weer op. En dat viel niet mee. Sowieso was het weer in de eerste maanden van het jaar belabberd, de helft van de tijd lagen de straten vol sneeuw, en mijn tempo ging ook nog eens nauwelijks vooruit. Het duurvermogen had ik wel, twee uur achter elkaar rennen was geen enkel punt, maar om dat in een aardig tempo te doen, jeetje, dat viel tegen. Na twee maanden trainen dacht ik zelfs dat ik me er maar bij moest neerleggen dat mijn voormalige tempo niet langer haalbaar was. Ik word oud, over the hill.
Maar opeens, begin maart, was er een ommekeer. Van de ene op de andere week leek het wel of ik de hobbel overwonnen had en kreeg ik mijn oude tempo’s weer in de benen. Ik kon weer meekomen met mijn loopmaatjes en het plezier in het lopen kwam terug. Hè hè, ik was er weer.
Op 10 maart deed ik mee aan de CPC Loop in Den Haag, de halve marathon, mijn eerste testwedstrijd. Tijdens deze koudste CPC Loop sinds jaren, met temperaturen onder nul, lichte sneeuwval en een straffe koude wind liep ik een hartstikke mooie, vlakke race met een eindtijd van 1:38:00, snelheid 12,9 km/u. Dat gaf vertrouwen voor de rest van de voorbereiding.
Ongeveer een maand voor de marathon zou ik volgens de meeste trainingsschema’s een 30km-testwedstrijd moeten lopen. Maar zulke wedstrijden waren er half april niet. Geen probleem: ik schreef me in voor de marathon van Rotterdam, om daar de eerste 30km in wedstrijdtempo te lopen en daarna ofwel uit te stappen ofwel de wedstrijd rustig uit te lopen. Dan kon ik samen met clubgenootjes Aike, Linda, Yvonne en Sigrid naar Rotterdam treinen, zij hadden deze marathon als einddoel, wel zo gezellig. En alles zou onderweg goed geregeld zijn, ik hoefde niet met een drinkbelt te lopen.

Marion Hoff in KopenhagenOp zondagochtend 14 april stond ik aan de start in Rotterdam. Het was een aparte ervaring om daar zo onbevangen te staan terwijl mijn clubgenoten stikzenuwachtig waren. Het was voor mij immers maar een trainingswedstrijdje, er stond niks op het spel – voorzover er überhaupt ooit iets op het spel staat, behalve een geluksgevoel en eeuwige roem, het blijft tenslotte een hobby. Het weer was prima, een graad of vijftien, bewolkt, weinig wind, perfecte omstandigheden. Wél was voorspeld dat halverwege de race de zon zou doorbreken en de temperatuur zou oplopen. Maar dat vind ik wel lekker, een beetje warmte. Lee Towers zong vanuit zijn hoogwerker weer that we never walk alone, en dat was ook zo, er stonden tienduizend marathonners op de Coolsingel en mede dankzij het fraaie lenteweer duizenden supporters langs de lijn. Het fijne van mijn doel was dat ik na 30km klaar was, en dus al veel sneller kon gaan aftellen. Bij 15km zat ik al op de helft, ik was nog hartstikke fris, het gas zat er lekker op. In een vlak tempo liep ik naar een mooie eindtijd van 2uur21, op mijn 30km-“finish”. Daarna moest ik heel nodig plassen; ondanks de warmte raakte ik het vocht kennelijk niet kwijt, dus hup, de bosjes in. Bij de verzorgingspost bleef ik nog wat drinken en toen dacht ik: ach, ik kan nog best een stukkie doorlopen, het is lekker weer, ik voel me goed, het duurt nog lang voordat iedereen van ons binnen is, dus ik kan net zo goed in een rustig duurlooptempo de laatste 12km uitlopen. Door dat langzamere tempo kreeg ik alleen wel last van mijn heupen, en ik had ook een fijne blaar onder mijn voet te pakken. Na 35km was het daardoor niet meer zo’n feestje. Het publiek maakte echter alles meer dan goed, al die aanmoedigingen. En de band op 39km zweepte me helemaal op, ‘The roof, the roof, the roof is on fire’. Dat loopt lekker. Zo finishte ik onbedoeld gewoon ruim onder de 3uur30, nl. 3:26:08. Bizar. Even op zondag een marathonnetje doen. Zonder dat ik dat echt van plan was, had ik marathon nummer 10 volbracht. De jubileumeditie als tussendoortje. Als ik had gewild, zat er vermoedelijk een tijd van rond de 3uur20 in. Maar ja, het was een training, dus het was wel zo verstandig om die laatste 12km rustig aan te doen. Ik was een beetje bang dat nu het niet hoefde het juist zo makkelijk ging, en dat het als het om het “echie” zou gaan in Kopenhagen, dat het dan stukken moeilijker werd. Maar ja, dat was van later zorg. Deze marathon was in de pocket.

De blessure aan de aanhechting van mijn rechterbil en hamstring wilde maar niet verdwijnen. De laatste weken voor Kopenhagen bezocht ik geregeld de fysio, zowel voor manuele therapie als dry needling. Zo hield ik mijn blessure onder controle, maar weg ging die niet. Nogal logisch als overbelasting de oorzaak is, weggaan zou de blessure waarschijnlijk alleen als ik rust nam. Maar daar had ik nog effe geen tijd voor. Na de marathon, zeeën van rust, maar niet nu. Ik hoopte dat ik een goed evenwicht zou vinden tussen hard lopen en mezelf toch niet letterlijk kapot lopen, qua spierscheuring. Mijn conditie was intussen optimaal, ik liep voor mijn doen hoge tempo’s op relatief lage hartslagen, dus wat dat aangaat zou ik Kopenhagen fluitend moeten kunnen afleggen, liefst in een tijd van ergens tussen de 3uur30 en 3uur20. Maar die bil hè, die hamstring, die moesten het wel houden. Spannend.

Vrijdagochtend 19 mei vlogen Pascal en ik naar Kopenhagen, ditmaal met z’n tweetjes, zonder de andere vaste supporters, mijn ouders. Bij aankomst werden we aangenaam verrast door heerlijk zomers weer. De jas kon uit, rokjesweer! Thuis was het nog altijd herfstig guur, de lente wil maar niet echt doorzetten. Maar hier zaten we diezelfde middag al op een drukbevolkt terras op het befaamde Nyhavn, met de kleurige huisjes en de kilometerlange bar langs het water. Wat een genot! Het startnummer hadden we intussen afgehaald en toeristentrekker de Lille Havfrue (zeemeermin) op de foto gezet. Ook de Strøget, de Kalverstraat van Kopenhagen, was niet te missen.
Zaterdag wandelden we eveneens ongemerkt heel wat kilometers weg. We zochten een goede supportersplek voor Pascal, met cafeetjes in de straat, en liepen naar het start- en finishgebied op Islands Brygge, om een plaats te bepalen waar we elkaar de volgende dag na de marathon zouden kunnen terugvinden. Het was bizar warm, wel 26 graden, de Denen lagen langs de oevers van de Sont in hun bikini of zwembroek te zonnen. En dat terwijl op datzelfde moment in Nederland het kwik nauwelijks de 13 graden haalde. Je zou dat toch echt eerder andersom verwachten. We bezochten de wijk Christianshavn en beklommen daar de 90 meter hoge Vor Frelsers Kirke, met een steile, smalle trap, vierhonderd treden hoog, die buitenom langs de goudkleurige spits eindigt. Dankzij de strakblauwe lucht konden we over heel Kopenhagen uitkijken, een grandioos panorama. Vlak daarnaast ligt het hippiedorp Christiania, waar alle soorten wiet en hasj openlijk te koop worden aangeboden, in de buitenlucht, op tafeltjes onder parasols. Softdrugs worden hier klaarblijkelijk gedoogd. Er heerste een superrelaxte sfeer, hoe zou dat nou komen?!
Om de benen niet nog meer te vermoeien stapten we daar op de hop-on-hop-off-bus en toerden zo de hele stad door. ’s Avonds at ik een goede pastamaaltijd, rennersvoer bij uitstek. Op de hotelkamer keken we nog even naar het Songfestival, maar dat de Denen wonnen, hoorden we pas de volgende dag.

Zondag, marathondag. Het weer hield zich gelukkig aan de voorspellingen. Het was beduidend minder warm dan de dagen ervoor, circa 16 graden, bewolkt, alles prima. Met een stel Denen liep ik naar het startgebied. Sowieso waren het vooral Denen in de optocht, 80 procent van het deelnemersveld kwam uit Denemarken. De organisatie had gemeld dat er 11.000 deelnemers waren, ongeveer net zoveel als in Rotterdam dus. Maar waar er daar een strikte organisatie heerste, vol do’s & don’ts, en iedereen via een poortwachter langs de dranghekken moest manoeuvreren, met opstoppingen en geduw als gevolg, ging hier de organisatie van een leien dakje. Er was namelijk zo min mogelijk opzichtig geregeld, en toch ging alles vanzelf goed. Of misschien juist wel daardoor. Zo waren er helemaal geen dranghekken; er stonden op enige afstand van elkaar bordjes hoog op een paal met daarop de eindtijd die je verwachtte te lopen. Daar ergens in de buurt stapte je gewoon de weg op, dat was het “vak”. En iedereen ging keurig staan waar hij hoorde te staan. Dat merkte je meteen bij de start, want iedereen om me heen liep in hetzelfde tempo, dat klopte dus. Op één vrouw na; die had zich kennelijk ver voor mij in het startvak opgesteld, ik vermoed ergens rond eindtijd 3 uur, en die werd binnen honderd meter door alles en iedereen ingehaald. Zo’n sukkelig gezicht, een dikke vrouw bij wie het buikvet onder en boven haar drinkbelt uit stulpte, blubberdeblup, die duidelijk niet had begrepen waar in het startgebied zij behoorde te staan – ik vermoed ergens bij eindtijd 5 uur. Ik zag een Fokke & Sukke voor me. Evengoed petje af dat zo iemand überhaupt meedoet.
Na de start – op de opzwepende klanken van “Let’s Get Ready To Rumble” – gingen we de Langebro over. Na 2km, net voorbij het Rådhuset, zwaaide ik Pascal al tegemoet, midden in een kolkende golf van toeschouwers die juichten en dansten op een populaire trancebeat. Kippenvel. Pascal was duidelijk herkenbaar met zijn oranje supportersjack aan en oranje paraplu boven zich. Die paraplu zou hij even later hard nodig hebben. Ik was nog geen 5km onderweg of het begon te hozen. Ook dat was voorspeld: het zou gaan regenen. Ik kreeg een déjà-vu: de Bodensee. Nee hè, zou ik nu weer drie uur door de zeikregen moeten lopen? Inwendig liep ik behoorlijk te mokken, godverdegodver, had ik dit?! Soppend in mijn schoenen en stampend door de plassen rende ik door de wijk Østerbro. Ik voelde mijn hamstring opspelen, nu al, en dacht: dit gaat nog een helse tocht worden. Maar gelukkig, een goed kwartier later werd de hemelpoort op een kier gezet en ging de hoosbui over in zacht geregen, iets harder dan miezer. Die zachte lauwwarme douche voelde eigenlijk best lekker, en ik begon het weer naar mijn zin te krijgen. Ook de pijn in mijn bovenbeen en bil ebde wat weg. Lachend passeerde ik Pascal dan ook op bijna 14km in het Latiner Kvarter. Een kilometer verder ging ik onder een viaduct door, stampvol supporters en een bateria, een percussieband, die het publiek zo opzweepte dat de stoom ervan af kwam. Het leek wel of ik door een warmtesluis rende. Het was zo heerlijk dat er overal langs het parcours publiek stond; geen kilometer zonder supporters, en overal bandjes, ik werd gedragen door de massa en de muziek. Denen zijn een enthousiast volkje, ze blijven klappen en joelen. Ik verstond er wel niks van, maar dat maakte niet uit, ze maakten me vrolijk en gaven me vleugels.
Mijn tempo was de eerste helft zo gelijkmatig dat ik wel een robot leek: ik liep 21km lang precies 4:39 min/km. Vriend en vaste supporter Gert-Jan volgde mij vanuit zijn huiskamer als een bewegend stipje op zijn beeldscherm en twitterde: “Hoe kan een mens zichzelf zo programmeren?” Tsja, wist ik dat maar. Natuurlijk raakte ik vermoeid en was het lastig om dat vlakke schema vol te houden. Dat hoefde ook niet, ik liep namelijk iets sneller dan mijn snelste schema aangaf. De teugels mochten lichtjes vieren. En verder ging ik.

Niet denken aan de vermoeidheid, laat je afleiden door de omgeving. Zo zuig ik de beelden van de kleurrijke Nyhavn in me op, knettervol publiek in een lucht van braadworsten, jakkie, en zie ik vanuit mijn ooghoeken de kleine zeemeermin op haar rots in het water zitten. Op 30km, vlak voor de Strandboulevarden, kom ik door in een tijd van bijna 2uur21, een kopie van Rotterdam. Nu volhouden. Hier loop ik een gedeelte dat ik al eerder heb afgelegd. Over het hele parcours zijn er zo nu en dan stukken met grote grijze basaltblokken, dat loopt niet lekker. Het is bovendien oppassen geblazen, want die stenen zijn spekglad. Ook moeten we soms de weg oversteken, stoep af, vluchtheuvel op, vluchtheuvel af, stoep op; echt lekker om je heen kijken is er dan niet bij, daarvoor zijn er te veel ongehoebeldheden. In het asfalt zitten geregeld grote gaten en steken putdeksels uit. Juist nu je moe wordt, moet je op je hoede zijn. Maar de sfeer maakt zoveel goed, overal publiek en muziek, dan vergeet je je pijnlijke voeten op het basalt. Op 36km, op de Nørrebrogade, word ik bijgehaald door de pacers met hun groene 3:20 ballonnen en hun gevolg. De pacers kunnen dit tempo makkelijk aan, anders zijn ze natuurlijk ook geen tempomakers. Ze joelen, klappen en schreeuwen – kijk, wij komen eraan, doen jullie mee?! – en doen het vuur bij de supporters nog hoger oplaaien; in een klankenzee vol aanmoedigingen gaan we als de kinderen van Hamelen door de straten. Ik krijg hier zo’n kick van dat ik besluit voorlopig bij deze pacers aan te haken. Want dat geeft me een reuring, te gek! Mijn tempo gaat dus weer iets omhoog. Maar 3 kilometer later speelt mijn hamstring weer op en denk ik: beter om ze maar te laten gaan, straks knapt er nog iets. Ik vertraag mijn tempo, toch blijven de groene ballonnen nog steeds in het zicht. Ik denk: potdikkie, als ik ze kan blijven zien, finish ik misschien nog wel in 3:22, een tijd die ik nog niet heb – een rare tik van me, dat ik elke marathon graag een andere eindtijd heb: ik heb 3:28 tot en met 3:23 al, bijvoorbeeld. Daaromheen zitten nog gaten.
Voor de tweede en laatste keer passeer ik het koninklijk paleis Christiansborg. Ik adem diep in en uit – door de regen zit de lucht vol zuurstof – en zet aan voor de laatste helling, de Langebro over rivier de Sont over. Op de brug staat Pascal weer aan te moedigen: nog maar één kilometer! Zodra ik het finishdoek met de tekst MÅL zie, schieten mijn benen geheel uit zichzelf in de versnelling, ik kan ze nauwelijks bijhouden. Ik zweefloop over de finishmat en kom buiten adem tot stilstand. Ongelooflijk, mijn stopwatch geeft 3:20:15 aan! Wat een supertijd, 3uur20. En die had ik nog niet! Verdwaasd van geluk wandel ik de finishstraat uit, met een folie om me heen, een rode roos in de hand en een bronzen medaille met paleis Christiansborg erop afgebeeld om mijn hals. Hoe wisten ze dat dit mijn derde beste marathontijd was? Brons!
Op de afgesproken plek vinden Pascal en ik elkaar terug; stralend val ik hem om de hals. Hij had zich nog zorgen gemaakt of ik het dit keer wél leuk had gevonden, gezien de regen, maar één blik op mij en hij weet genoeg. Marathon nummer 11 is geslaagd.

De regen hield er meteen spontaan mee op; het was wederom hoog tijd voor mooi weer. En dat kregen we. De volgende dag was het net als de dagen ervoor heerlijk warm, echt terrasjesweer. Spierpijn had ik nauwelijks, waarschijnlijk omdat ik iets langzamer had gelopen dan ik maximaal zou kunnen, afgeremd door mijn blessure. De verzuring was daardoor uitgebleven. Zo zie je maar weer: elk nadeel hep z’n voordeel. En dus wandelden we maandag alweer de halve stad door, in een T-shirtje, bezochten paleis Christiansborg met de rijk gedecoreerde ontvangstkamers en de paardenstallen, genoten van koffie met gebak op het befaamde terras van café Norden op de Gammeltorv, en liepen door naar Amalienborg, met de woonpaleizen van de koninklijke familie. Op de slotdag kon een bezoekje aan de Carlsberg Glyptotek evenmin ontbreken, dit museum met zijn ongelooflijke beeldenverzameling. Kopenhagen was het bezoeken beslist meer dan waard. In alle opzichten. Vi ses!

Recuerdos de
Marion

STATISTIEKEN
1985 Hoff, Marion (NED)
Eindtijd (netto) 3:20:15
Eindtijd (bruto) 3:21:02
Place by class  8 (van 297)
Place by gender 47 (van 2031)
Place overall  1081 (van 9491)
Eerste helft  01:38:06
Tweede helft  01:42:09
Tempo   04:45 min/km
Snelheid  12,6 km/uur

5km 00:23:19 23:19
10km 00:46:28 23:09
15km 01:09:37 23:10
20km 01:32:56 23:19
25km 01:56:50 23:56
30km 02:20:56 24:06
35km 02:45:32 24:37
40km 03:09:53 24:22
Finish 03:20:15 10:22

Bladwijzer de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.